Bijdrage van een pleegouder: brief aan mijn pleegdochter

Lieve Vera, 

Wat zou ik graag eens een dagje meelopen in jouw hoofd en hart. Vijf jaar ben je nu. Maar soms lijk je wel 15. Of 25. Jij houdt je namelijk bijna de hele dag, wat zeg ik, de hele week, bezig met zaken waar een vijfjarige zich niet druk om moet maken. En als ik dan zo naar je kijk en naar je luister, dan hou ik zo verschrikkelijk veel van je. En tegelijkertijd hou ik soms verschrikkelijk mijn hart vast: hoe zal dat in de toekomst gaan? Als je nog beter na kunt denken en verbanden kunt zien dan je nu al doet? Dan slaat ook de twijfel bij mezelf soms toe. Doen we er voldoende aan om te voorkomen dat je ontwikkeling door al jouw gedachten stagneert? Kunnen wij als pleegouders jouw gevoelens compenseren? En moeten we dat wel willen of zijn jouw struggles onderdeel van een (verwerkings)proces dat bij jouw leven hoort?

“Mama, de moeder van die en die uit groep 7, weet je wel?” 
“Nee?”
“Die met die blauwe jas en die groene fiets met die rode bel. En ze heeft geel haar, een beetje lang haar”.
“Oh ja, die” (en, eerlijk; ik heb geen flauw idee wie het is!)
“Die kijkt altijd boos naar mij”
“Is dat zo?” 
“Ja, en dat vind ik helemaal niet leuk!’
“Nee, natuurlijk niet” 
“En weet je, die en die uit mijn klas; die haat mij”
“Hoe weet je dat, Vera? 
“Nou, die kijkt altijd boos naar mij”.

In de beleving van Vera kijkt het gros van de mensen boos naar haar. Op school, bij Jumbo, bij de bso. In de kerk, bij de autowasstraat, de buurvrouw…Volwassenen en kinderen. Allemaal zijn ze tegen haar. Allemaal haten ze haar. En het meest haat ze zichzelf, dat zegt ze regelmatig. En vaak zegt ze dat op het moment dat ik haar een dikke kus wil geven om haar welterusten te wensen en ik me stiekem verheug op nog even lekker twee uurtjes bankhangen na een hele dag werken. Natuurlijk gaat zij dan voor, terwijl ik ondertussen stoei met mijn gedachten: moet ik het ontkennen? Moet ik haar afleiden? Een schrikreactie aandikken? Ik heb een gedegen opleiding gehad, vol pedagogische kennis, maar als het iemand betreft die zo diep in je hart zit, dan is dat echt wel even wat anders! Ik zie haar de hele tijd scannen hoe mensen naar haar kijken en op haar reageren. Haar blik zegt: “Zie mij, zie mij. En vindt mij lief”. En als mensen haar een glimlach geven, een aai over haar bol geven, of om haar lachen, dan vertelt ze dat als eerste als ze uit school komt. Vol trots! Of ze zoekt die personen de volgende keer extra op en draalt om hen heen in de hoop weer die aai te krijgen. Of die glimlach.

Vera is zo’n kleuter die aan tafel tussen twee happen boerenkool door zegt: “Jullie wonen hier met zijn drieën en ze wijst demonstratief naar Mila (haar zus), naar papa en naar mij. Ze blijft in de auto zitten als we van elders thuis komen “want jullie vinden mij toch niet lief en dan blijf ik maar in de auto zitten”. Dat ik zeg dat het daarvoor toch echt veel te koud is, is niet erg, “dan vriest ze maar dood, want jullie houden toch niet van mij”. Als ik haar zeg dat ze netjes met mes en vork moet eten dan keert ze zich letterlijk van mij af en schuift demonstratief haar stoel opzij, verder weg van mij. Want dan ben ik ‘dus’ tegen haar. Als ik haar haren heb gekamd en ze ziet haar rugzak met brooddoos, pauzehap en twee bekers drinken, pakt ze die op en zegt ze dat ze gaat weglopen, want ze heeft dan voor een poosje eten en drinken. Ik laat haar gaan en kijk wat ze doet… ze loopt met haar rugzakje op langs het raam en kijkt naar binnen. Loopt een stukje verder en komt weer terug; kijken we nog uit het raam naar haar? Ja, gelukkig, ze kijken. En ze loopt weer verder. Ze is zo’n kleuter die 100x wil horen dat ik echt, echt, echt de hele dag ga huilen als zij dood is. “Toch, mama?”

Vera is zo’n kleuter die aan het eind van de dag precies weet welke kleur sokken de meester van groep 6 aanhad, wat de moeder van Jantje met de juf heeft besproken (ze gaat er gewoon bij staan), hoe vaak Jantje die dag van zijn stoel is opgestaan, wie met wie heeft gespeeld, wie er pindakaas op zijn brood had en wanneer welk kind op de bso zit (“Oh mama het is vandaag de rode dag en Julia wordt opgehaald door haar moeder, maar ze moet naar de bso”). Controle, controle, controle. Aan alles ruiken, ieders blik peilen. 

Meiske, meiske, wat heb je het zwaar! Of niet? Is al dat geregistreer een natuur van je geworden? Je danst ook door de dag, je bent vrolijk en blij en enthousiast. Vera is zo’n kleuter die iedereen om haar vinger windt. Die de harten van mama’s met jongens doet smelten “omdat 10 minuten kletsen met Vera veel en veel meer informatie over hun kind en het gebeuren in de klas oplevert dan dat ze van hun eigen zoon in de laatste anderhalf jaar hebben gehoord”.

Vera is gelukkig ook zo’n kleuter die, als ik haar letterlijk de hand geef en haar vraag uit de auto te komen, omdat ze toch echt bij ons hoort, die hand ook maar al te graag pakt en met me naar binnen gaat, op schoot gaat zitten, me aankijkt en probeert te peilen en me stevig vasthoudt. De kleuter die, als ze aan het eind van de straat is, toch weer terugkomt, op de deur klopt en met vragende blik weer binnenstapt. En als ik dan zeg “Wat fijn dat je er weer bent”, snel haar rugzak weer afdoet en zegt dat ze ons teveel gaat missen en dus maar weer teugkomt...

“Mama?”
“Ja?”
“Van wie hou je het meest? Van Mila of van mij? En niet zeggen dat je niet kunt kiezen, want je MOET echt kiezen”.
“Nee schat, ik hou van jullie allebei even veel”
“En als je moest kiezen tussen Willem (de kat van de buren) of mij?”
“Dan kies ik natuurlijk voor jou, Vera!” En Vera straalt van oor tot oor.
“En als je moest kiezen tussen juf Christa of mij?”
“Dan kies ik natuurlijk voor jou, Vera!”

En weer straalt de kleine dame als een prachtige zomerzon. Om vervolgens nog 33 namen te noemen waarvan ze zeker weet dat ze het antwoord hoort wat ze zo graag wil horen. Dat ik voor haar kies. En dat doe ik. Onvoorwaardelijk.